De herdertjes lagen bij nachte,
Ze lagen bij nacht in 't veld;
Ze hielden vol trouwe de wachte;
Ze hadden de schaapjes geteld.
Daar horen zij d' engelen zingen,
hun liederen vloeiend en klaar;
De herders naar Bethlehem gingen;
't Liep tegen het Nieuwe jaar.

Toen zij er te Bethlehem kwamen,
Daar schoten drie stralen dooreen;
Een straal van omhoog zij vernamen;
Een straal uit het kribje beneên:
Toen vlam d' er een straal uit hun ogen,
En viel op het kindeke teer;
zij stonden tot schreiens bewogen,
En knielden bij Jezus neer.

CCLI 2865941